« Back to Glossary Index

Refractor

De refractor is de oudste telescoop die we kennen. Hij is door een Nederlander uitgevonden. De eerste refractors waren zo gemaakt dat ze het object zo vergroten, dat het in dezelfde stand gezien wordt als waar het in staat: het beeld staat dan recht en niet op zijn kop. De telescoop die Galileo Galileo in 1609 gebruikte voor zijn ontdekkingen was zo geconstrueerd. Ook Christiaan Huygens die de ringen van Saturnus ontdekte gebruikte een dergelijke telescoop. Dergelijke kijkers worden dan ook “Hollandse kijkers” genoemd. Door hun constructie kenden zo enkele beperkingen die de kwaliteit negatief beïnvloeden.

De refractor zoals we die nu kennen werd uitgevonden door de Engelsman John Dollond. In deze refractors staat het beeld op zijn kop en zijn links en rechts omgekeerd.

Refractors worden door beroepsastronomen nauwelijks nog gebruikt: hoe groter de lens hoe zwaarder en duurder de constructie. Bovendien gaat een hele grote lens op een gegeven moment doorbuigen. Ze zijn dus aan een maximale grootte gebonden. Refractors zijn wel nog populaire kijkers onder amateur-astronomen door hun eenvoudige en degelijke constructie. Een refractor is gemakkelijk op een hemellichaam te richten en ze geven een mooi en contrastrijk beeld. Nadeel van een refractor is zijn grootte, het is een instrument dat, vooral bij een groter model, moeilijk is te verplaatsen.

Vooral de kleinere telescopen die aan amateurs worden verkocht zijn refractors. Om een beetje van een refractor te kunnen genieten moet deze een brandpunt hebben van minimaal 800 mm en een objectiefdiamater van 70 mm of groter.